Improviseren in een andere taal

Written by Ben Verhoeven november 30, 2018 0 comment

Het was lang gele­den dat ik zoveel angst had voor een voor­stel­ling. Het soort angst om op een podi­um te staan waar elk begin­nend artiest mee heeft gewor­steld. Maar nog meer dan dat, de angst om fou­ten te maken die elke impro­vi­sa­tor moet over­win­nen. Waar­om? Ik speel­de een voor­stel­ling in een ande­re taal.

Een tijd­je gele­den speel­de ik voor het eerst een impro­vi­sa­tie­voor­stel­ling in het Frans. Gael Per­ry – een Frans­man uit Stras­bourg die ik eer­der leer­de ken­nen op het inter­na­ti­o­na­le fes­ti­val IMPRO Amster­dam 2017 – vroeg me om deel uit te maken van het impro­vi­sa­tie­team dat hij mocht samen­stel­len voor het Zwit­ser­se impro­toer­nooi Impro­vis­si­ma in Lausan­ne. Op drie toer­nooi­avon­den speel­den twee teams eerst een match d’impro, gevolgd door een long­form-con­cept dat elk van de teams mee­bracht. L’équipe Stras­bour­geoi­se bestond uit­ein­de­lijk uit twee Fran­sen, twee Zwit­sers en twee Bel­gen (wat boven­dien klinkt als het begin van een mop). Daar­naast was er nog een team uit Parijs en het loka­le team uit Lausan­ne. Met onder­ge­te­ken­de als eni­ge niet-moe­der­taalspre­ker van het fes­ti­val…

Frans is in prin­ci­pe mijn twee­de taal, zoals voor de mees­te Vla­min­gen. Qua taal­be­heer­sing is het ech­ter mijn vier­de taal. Ik kan uiter­aard een brood bestel­len en voer gemak­ke­lijk con­ver­sa­ties met men­sen, maar luis­te­ren naar de Fran­se radio is een brug te ver. Ik speel wel al veel lan­ger in het Engels, maar daar had ik nooit erva­rin­gen als deze omdat ik er een uni­ver­si­tair diplo­ma in heb en er dus min­der onze­ker over ben.

Angst over­won­nen?

De angst om het podi­um te betre­den, kreeg ik dan wel gauw op de knie­ën. Maar de angst om fou­ten te maken, bleef slui­me­ren. Fou­ten maken is men­se­lijk en een belang­rijk deel van de impro­fi­lo­so­fie is net accep­te­ren dat je af en toe faalt. Dat het falen zelfs nood­za­ke­lijk is om te leren. Wat maakt ons dan weer ban­ger om fou­ten te maken wan­neer we in een ande­re taal impro­vi­se­ren?

Com­mu­ni­ce­ren in een vreem­de taal houdt twee aspec­ten en dus twee moei­lijk­he­den in:

(1) Als je zelf spreekt, wordt je taal­vaar­dig­heid op de proef gesteld en lopen com­plexe zaken zoals het uit­druk­ken van ver­le­den en toe­komst soms stroe­ver. Een beperk­te woor­den­schat kan ook tot onze­ker­heid lei­den. Bedenk maar eens wat het Fran­se woord voor trol is als je een sprook­je wil spe­len.

(2) Daar­naast moet je kun­nen ver­staan wat de ander zegt. Ook hier speelt je woor­den­schat een rol, want je kan geen woor­den ver­staan die je niet kent. Maar voor­al uit­spraak en snel­heid van spre­ken horen hier thuis. En dan wordt het voor­al moei­lijk als je met moe­der­taalspre­kers samen speelt. Ook voor mij was deze drem­pel de moei­lijk­ste om te nemen. Zelfs als de moe­der­taalspre­kers reke­ning met je hou­den als je samen in een scè­ne speelt, zul­len ze vaak toch moei­lijk te ver­staan zijn als ze onder­ling spe­len. Pro­beer dan maar eens in de scè­ne bin­nen te komen. En daar is de angst voor fou­ten, angst om ‘kapot te maken’ wat reeds gezet is geweest.

Ver­rij­king

Genoeg over pro­ble­men gepraat. Als je tot hier hebt gele­zen, lijkt het mis­schien als­of het enkel moei­lijk is om in een ande­re taal te impro­vi­se­ren, maar dat is niet het punt van dit ver­haal. Impro­vi­se­ren in een ande­re taal is name­lijk ook onge­loof­lijk ver­rij­kend.

Het laat je toe om deel te nemen aan inter­na­ti­o­na­le impro­work­shops en -fes­ti­vals waar je in con­tact komt met gelijk­ge­stem­de zie­len uit de hele wereld. Chris Mead (UK) schreef daar heel recent deze blog­post over.

Je leert boven­dien meer gebruik te maken van non-ver­ba­le the­a­ter­tech­nie­ken. Je spreekt min­der en die leeg­te vul je op met meer bewe­ging, han­de­ling, gezichts­uit­druk­king, emo­tie. Er is ook ruim­te voor meer decor, dat beter gebruikt wordt. Zo stond ik bij het begin van een scè­ne geïn­spi­reerd door Roald Dahl als boom ( ja, echt!) op het podi­um waar­na ik begon te bewe­gen en spre­ken.

Het is ook gewoon leuk, ver­ras­send en je oefent er je taal mee op de fijnste manier denk­baar, want impro spe­len we alle­maal graag, toch?

Om mee te nemen

Ik leer­de heel wat bij tij­dens mijn Zwit­sers avon­tuur. Zaken die ik zelf een vol­gen­de keer iets anders wil doen, of die ik gewoon wil ont­hou­den. Voor­al wil ik een vol­gen­de keer eerst eens trai­nen in die ande­re taal samen met de mede­spe­lers voor­al­eer ik het podi­um met hen in die taal betreed. We heb­ben uiter­aard wel gepraat, en ik was ook een week voor­af nog een kof­fie gaan drin­ken met een Fran­se Eras­mus­stu­den­te om alvast mijn Frans nog eens op te fris­sen. Maar voor een trai­ning was er geen tijd in het pro­gram­ma, al kan dat vol­gens mij erg nut­tig zijn om af te tas­ten wat pre­cies het taal­ni­veau is van elke spe­ler om daar ook reke­ning mee te hou­den in de scè­nes.

Ook is het inte­res­sant om te spe­len met meer­de­re niet-moe­der­taalspre­kers. Dit wordt in Neder­land en Vlaan­de­ren wel gedaan in het Engels, maar nau­we­lijks in het Frans. En de Fran­se impro-gemeen­schap is vaak al een wereld­je op zich. Zou het niet gewel­dig zijn om ook met hen de con­nec­tie te maken in hun eigen taal?

Deze blog­post ver­scheen eer­der op Improblog.nl